3,8 kilometer zwemmen, 180 kilometer fietsen en dan nog een marathon lopen. Ga er maar aan staan. Bram Bakker reisde naar Frankfurt om mee te doen aan de Ironman.

Bladzijde-50


In de herfst van 2013 maakte ik kennis met Wouter Duinisveld, een sportieve vent uit Den Haag, die op het oog niet heel bijzonder is. Maar schijn bedriegt: Wouter onderging in 2007 een harttransplantatie, nadat zijn eigen hart geheel verwoest werd door een infectie. Nu is ook dat geen zeldzaamheid, want er zijn wel meer mensen met een donorhart. Wouter onderscheidt zich vooral door wat hij met zijn donorhart doet: triatlon. Met de nodige scepsis van de artsen die hem begeleiden sinds zijn operatie, begon hij geleidelijk steeds meer te trainen, met de klassieke afstand als ultieme doel. De Ironman die hij hiervoor had uitge- kozen vond op 6 juli plaats in Frankfurt. Bijna 3000 atleten meldden zich in korte tijd aan, meer plaatsen waren er domweg niet. Deze populaire triatlon trekt atleten van over de hele wereld, die door honderdduizenden toeschouwers worden aangemoedigd. Toen Wouter me zijn verhaal vertelde riep ik spontaan dat ik ook mee zou doen. Ooit, dertig jaar geleden, voltooide ik de triatlon in Almere. Maar sindsdien trok ik nooit meer een baantje in een zwembad en was de fiets die ik gebruikte geheel weggeroest.

Herintreder
Je kunt lichtvaardig besluiten om mee te doen aan een Ironman, maar je moet er toch echt voor trainen. Eind maart kocht ik een nieuwe racefiets en begon ik als een heuse herintreder rondjes door de omgeving te fietsen. Ik meldde me aan bij de plaatselijke triatlonclub, vooral om daar het zwemmen weer op te pakken. Hoewel ik een serieuze loper ben, en dus wel gewend om be- hoorlijk te trainen, viel het me tegen hoeveel tijd het je kost, zo’n voorbereiding. Vanaf het moment dat ik weer een beetje tempo kon maken op mijn racefiets werd dat wel een leuke bezigheid, maar wat ben je lang onderweg als je iets aan een train- ing wilt hebben. In drie maanden fietste ik een slordige 2200 kilo- meter. Het zwemmen schoot er vaak bij in, verder dan een handvol trainingen kwam ik eigenlijk niet. Slechts één keer zwom ik in mijn wetsuit in open water. Ik bleef wel hardlopen, maar veel minder dan ik gewend was.

Ooit, dertig jaar geleden, voltooide ik de triatlon in Almere.

Gek genoeg leek het alsof ik eerder beter dan slechter ging lopen door het trainen van die andere twee sporten. Dat was wel een plezierige ontdekking, want bij dreigende overbelasting of blessures kun je dus kiezen voor een andere training. De week voor de Ironman deed ik een proefwedstrijd in Oud Gastel, waar ik constateerde dat ik traag, maar gestaag kon zwemmen. De borstcrawl verleer je niet. Ook haalde ik redelijk wat mensen in op de fiets en tijdens het lopen. Ik eindigde achter in de middenmoot, maar dat mag als je vijftig bent, hield ik mezelf voor.

Fanatiek
In Frankfurt was de dagen voor de triatlon een heuse wedstrijdsfeer voelbaar. Op vrijdag werden alle deelnemers verwacht bij een briefing in het stadion dat midden in het historische centrum was opgebouwd rond de finishlijn. Overal in de stad kwam je afgetrainde atleten tegen die zich op een fiets of lopend nog aan het testen waren. Ik dacht alleen maar aan rust en keek verbaasd naar het fanatisme waarmee sommige deelnemers de dag voor de wedstrijd nog aan het sporten waren. Net als bij de grote stadsmarathons was ook hier een expo. Het was een soort marktstraat met heel veel uiteenlopende spullen, die me heel nerveus maakte. Vooral de vaak peperdure fietsspullen gaven me het idee dat ik enorm amateuristisch was met mijn gewone racefiets met extra ligstuurtje en een iets naar voren verschoven zadel. Ik vroeg me ineens af of je wel 180 km kunt fietsen zonder speciale spaakwielen of ultralichte tijdritfiets. Waar ik steeds het meeste had opgezien tegen het zwemmen, omdat ik dat nu eenmaal het minste had getraind, ging mijn zorg nu steeds meer uit naar het fietsen. Het langste onderdeel en ook nog eens over een behoorlijk geaccidenteerd parkoers. Moest ik ook andere banden? Op de expo hadden sommige bandenfabrikanten wel acht verschillende soorten in de aanbieding, en ze vonden gretig aftrek ook nog.

Fit en monter
De avond voor de wedstrijd speelde het Nederlands elftal tegen Costa Rica en ik dacht dat ik die wedstrijd best nog wel even kon kijken. De verlenging en strafschoppen zorgden ervoor dat ik pas na één uur ’s nachts in bed lag. De wekker ging ruim drie uur later af, omdat ik om zes uur werd verwacht bij de zwemstart, een half uur buiten Frankfurt. Ondanks de korte nacht
en toch best een paar biertjes, stond ik redelijk fit en monter aan de start, te midden van een indrukwekkende hoeveelheid deelnemers. En het viel helemaal niet tegen, dat zwemmen. Ruim anderhalf uur zwemmen is lang, maar in het perspectief van de lange dag die je hebt te gaan valt het ook wel weer mee. Ik kwam blij en tevreden uit het water, maar ontdekte tot mijn schrik dat ik had verzuimd gevulde bidons op mijn fiets te plaatsen. Pas een uur later, na dertig kilometer fietsen, kwam de eerste bevoorrading. Ik begon als een dolle vocht te tanken en bananen en sportrepen naar binnen te werken. Twintig grote bidons gingen er doorheen tijdens het fietsen, met water, sportdrank en cola. Maar plassen hoefde ik steeds maar niet. Geleidelijk was het heel erg warm en benauwd geworden en toen ik na 6,5 uur fietsen mocht beginnen aan het lopen was ik ook behoorlijk moe.

Bladzijde-50

Dienstweigering
Mijn lichaam voelde futloos, niet pijnlijk. Ik hees mezelf in een hardloopoutfit en probeerde op een drafje het parkoers op te komen. Dat ging maar net, want mijn benen weigerden dienst. Met nog vier rondjes van 10,5 km te gaan bij een temperatuur die inmiddels was opgelopen tot zo’n 30 graden geen prettig vooruitzicht. Ik besloot om afwisselend te rennen en wandelen. Maar binnen een ronde werd dit wandelen met af en toe een kort stukje dribbelen. Waar ik het tot en met het fietsen allemaal heel erg leuk had gevonden, begon het nu geleidelijk echt vervelend te worden. Ik dacht aan mijn dochter van negen, die me de avond voor de start had verteld dat ik niet altijd zo verbeten moest doen met sport. Geen idee waar ze die tekst vandaan had, maar misschien zat er wel iets in. Op de helft van de marathon was ik 11 uur onderweg en besloot ik dat het mooi was geweest. Om nog vier uur te gaan wandelen om net binnen de limiet van 15 uur te finishen leek me onzin. Wouter Duinisveld overkwam iets vergelijkbaars, maar hij sleepte zich wel naar de finish. Geblesseerd aan een knie passeerde hij na bijna 14 uur de streep, een emotioneel moment natuurlijk. Wat een held.

Na 11 uur was het mooi geweest.

Bladzijde-51