Drie tweelingen die hardlopen. Soms met, soms tegen elkaar.

Bladzijde-18

Alja Bijlsma (23): “Op onze zevende gingen we op atletiek. Wij waren allebei speels, en een beetje klunzig. Marlou gooide een keer een waterflesje tegen mijn oog en een speer in mijn achillespees. Per ongeluk, natuurlijk. We wilden ook graag de besten zijn. Als er rijtjes gevormd moesten worden stonden we vooraan. Ik heb nooit van Marlou gewonnen. Ik calculeerde van tevoren in dat ik van haar zou verliezen. Maar we hadden altijd lol. Mensen kunnen ons nooit uit elkaar houden. Dan riepen ze bij een wedstrijd ‘hup Marlou’ tegen mij. In 2004 werden we Nederlands kampioen op de estafette junioren (4 x 800 meter). Dat was mooi. Uiteraard had Marlou haar 800 meter sneller afgelegd dan ik, maar we wonnen als team. Alleen Marlou loopt nu nog fanatiek. Ik ben eerder trots op Marlou dan jaloers. Ik heb liever dat zij wint dan iemand anders. Ze blijft toch mijn zusje.”

Marlou Bijlsma (rechts): “Als tweeling word je de hele tijd met elkaar vergeleken. Dan wil je je juist van elkaar onderscheiden. Het is leuk om iemand te verslaan, maar af en toe vond ik het jammer voor Alja. Dan werd ik derde en zij vierde, bijvoorbeeld. Maar ik ging ook niet langzamer lopen zodat zij op het podium kon staan. Als kind liepen we duurloopjes door het bos. Als het goed ging, zongen we liedjes. Nu lopen we alleen samen als we bij onze ouders zijn. Als Alja een beetje moe is, neurie ik nog wel eens voor haar. Ons jongere zusje heeft bedacht om met het hele gezin de marathon in IJsland te lopen. Dan gaan we vooral genieten van de omgeving, hoor. De marathon lopen is al een prestatie op zich, en het lijkt me gaaf om samen met Alja over de eindstreep te komen.”

In 2004 werden we Nederlands kampioen op de estafette junioren.

Sebastiaan van de Bunt (30): “Sylvester en ik zijn een eeneiige tweeling. Ook in sommige karaktertrekken lijken we op elkaar. We zijn bijtertjes: als wij iets leuk vinden, duiken we er vol in. Toen we klein waren zaten we op voetbal, vanaf de puberteit richtte Sylvester zich op fitness en motorrijden en ik begon met hardlopen. Anderhalf jaar geleden pakte Sylvester het hardlopen op om fitter te worden. Ik ben de snelste, maar we zijn even fanatiek. Meedoen met een wedstrijd is voor ons een dagje uit. Zo ben ik ervan overtuigd dat je geen banaan moet eten voor een wedstrijd; als we dan iemand vlak voor de start nog snel een hap banaan zien eten, moeten we samen lachen. Ik wacht Sylvester altijd op bij de finish. Dan loop ik te ijsberen en hoop dat hij een goede tijd heeft. Soms, na een zware wedstrijd, slaat Syl zijn arm om me heen als hij over de finish komt. Wij zijn van huis uit niet zo van het knuffelen en de emoties, dus dit zijn voor mij bijzondere momenten.”

Sylvester van de Bunt (links): “Sebastiaan is vaak degene die het initiatief neemt; ik volg. Door hem ben ik ook gaan hardlopen. Ik trek me aan hem op, maar denk tegelijkertijd: Wat hij kan, kan ik ook. Uiteindelijk wil ik net zo snel worden als hij. We houden er niet van om dingen halfbakken te doen; we werken met
trainingsschema’s en ook technisch moet het kloppen. Lopen vind ik heerlijk. Of het nou koud is of regent: ik ga. Bas vormt voor mij een extra motivatie. Je snapt van elkaar hoe het voelt om erdoorheen te zitten. Voor en na de wedstrijd praten we over het hardlopen, maar ook over mijn motorrijden en zijn nieuwe racefiets. En een van ons hoeft het woord ‘banaan’ maar te zeggen of we liggen in een deuk. Ik praat niet makkelijk over mijn gevoel, maar zo vlak na de finish, als je longen bij wijze van spreken nog in je tenen zitten, is het makkelijker om open te zijn. Op zo’n moment voel ik me ook trots op Bas en mezelf, dat we het toch maar weer gedaan hebben.”

Of het nou koud is of regent: ik ga.

Gonda Schalij (55): “Wendelien en ik willen alles snel doen, dus ook hardlopen moet bij ons snel. Daardoor gaan we ook vaak te vlug van start. En we zijn allebei zenuwachtig voor een wedstrijd. Als een van ons een wedstrijd loopt, appt die de hele tijd naar de ander. Dingen als: ‘Ik ben al drie keer naar de wc geweest’. Wendelien deelt veel op Facebook. Dat werkt voor mij motiverend. In de winter denk ik soms: het is te koud, ik heb geen zin. Maar als ik dan op Facebook lees dat Wendelien net 10 kilometer heeft gelopen, ga ik alsnog. Ik heb de laatste tijd veel blessures gehad en onlangs heeft Wendelien mijn pr op de halve marathon, van 1.59 uur, verpletterd met zeven minuten. Dat gun ik haar. Maar ik moet er wel weer overheen natuurlijk. Het zou leuk zijn om ooit een keer samen een wedstrijd te lopen. Dan mag Wendelien mij hazen.”

Wendelien Schalij (rechts): “Leeftijdsgenoten van ons zeggen soms: doe maar een beetje rustig aan, joh. Maar Gonda en ik kunnen niets half doen. Zo’n recreatiementaliteit zit er gewoon niet in. Wij willen altijd het beste uit onszelf halen. Voor ons geldt: hoe ouder hoe fanatieker. Voor de grap zeg ik weleens dat ik al mijn hele leven achter Gonda aan hobbel. Maar dat valt reuze mee, al heeft Gonda me aan het hardlopen gekregen en is ze vijf minuten ouder. Vroeger waren we echt concurrenten. Voor het turnploegje van de lagere school heb ik net zo hard getraind tot ik, net als Gonda, tot de selectie werd toegelaten – tot blauwe plekken aan toe. Tegenwoordig zijn we niet meer zo competitief. Wel vergelijken we. Onze pr’s liggen vaak maar 10 seconden uit elkaar. Op het moment ben ik sneller, maar dat komt vooral doordat Gonda geblesseerd is geweest. We hebben nog nooit een wedstrijd samen gelopen maar dat gaat er zeker van komen. We hebben nog ons hele leven voor ons.”

Wij willen altijd het beste uit onszelf halen.